FINANCIËN

Berekeningsmodel aantallen leerlingen.

Uitgangspunt hierbij is dat er op termijn op bestuursniveau de vorming mogelijk moet kunnen zijn van een viertal TOP-klassen om daarmee het bereik in leerstof en de belastbaarheid van leerkrachten in de op te zetten groepen te bewaken.

Volgens de normaalverdeling is 2,5% van de leerlingen hoogbegaafd en komt dus in aanmerking voor plaatsing in een TOP-klas.

Groepsverdeling: 1-2-3, 3-4, 5-6, 7-8. (Het léren lezen gebeurt in 1-2-3)
Om 4 bovenschoolse groepen te kunnen formeren zijn ca. 20-22 leerlingen per groep nodig. In totaal dus 80-88 leerlingen.

Binnen een bestuur zijn statistisch 80-88 TOP-leerlingen aanwezig als het bestuur een omvang heeft van

80/2.5*100=3200
            tot
            88/2.5*100=3520 leerlingen.

Dit biedt het bestuur de mogelijkheid in eerste instantie 3 groepen te vormen. De groep 1-2-3 wordt pas gevormd zodra er voldoende aanmeldingen zijn.

Rekening houdend met het feit dat niet alle TOP-leerlingen vastlopen in het regulier onderwijs en op grond daarvan ook (zeker in de aanloopfase) niet allemaal zullen instromen dient er rekening mee te worden gehouden dat ca. 15% van de TOP-leerlingen niet instroomt. (dus 85% wel = 80-88 leerlingen)

Daarmee komt de berekening op:

(80/85*100)/2.5*100=3765
         tot
         (88/85*100)/2.5*100=4141 leerlingen

Het biedt dus aanbeveling zeker in een beginfase uit te gaan van een bestuur/bestuurscluster van ca. 3500-4200 leerlingen.

Besturen die minder dan 3500 leerlingen hebben, kunnen samenwerking zoeken om minimaal dit aantal te halen.
Besturen die groter zijn kunnen een veelvoud van deze organisatie opzetten.

Het is raadzaam om na te denken over een groeimodel voor de eerste jaren.