3. HUIDIGE ZORGSTRUCTUUR
In het KORT:

Zoals al jaren de zorg aan de onderkant (links) aandacht krijgt, dient nu te worden geïnvesteerd in de zorg aan de bovenkant (rechts).
 




De zorgstructuur in het Nederlandse onderwijs heeft zich geconcentreerd aan de linkerkant van de intelligentiecurve. De groep leerlingen die aan de rechterkant minder of zelfs niet gebaat is bij de reguliere aanpak die is gericht op de gemiddelde groep van 68%, is echter even groot of groter dan de groep links. Immers, aan de linkerkant van de curve bevinden zich ook kinderen die geen gebruik kunnen maken van het reguliere onderwijs vanwege bijvoorbeeld hun zware geestelijke handicap.

Analyseren we hoe de zorg links is georganiseerd, dan zien we 5 zorgniveaus, waarvan de reguliere school de meeste voor haar rekening neemt. Het laatste zorgniveau wordt overgenomen door de SBO-school.

Niveaus van zorg  links 

Niveau 1 – 2 – 3 in de reguliere groep
Extra instructie – concentratie op minimum doelen – remedial teaching
Niveau 4
Eigen leerlijnen – gedeeltelijk loskoppelen van de groep
Niveau 5
Verwijzing naar speciaal basis onderwijs - continu aangepast aanbod in het kader van het ontwikkelingsperspectief van de leerling.

Bron: Jan Hendrickx

 

Handelingsgericht werken vraagt ook meer aandacht voor de zorg ‘aan de bovenkant’ (rechterzijde grafiek). Daardoor wordt ook steeds duidelijker dat deze leerlingen net zo goed structurele aandacht en zorg nodig hebben als de leerlingen ‘aan de onderkant’ (linkerzijde grafiek).

Ook voor hen past het reguliere programma slechts ten dele. Ook bij hen zien we individuele verschillen (net als aan de linkerkant van de curve), maar tevens ook grote overeenkomsten zoals het topdown denken wat deze kinderen kenmerkt. Hierdoor hebben ze bijvoorbeeld kortere uitleg nodig van nieuwe leerstof, maar tevens pikken ze het gemakkelijker op wanneer die leerstof ook topdown wordt uitgelegd.

Topdown uitleg gaat uit van grote verbanden, waardoor deze leerlingen hun nieuwe leerstof in een context kunnen plaatsen. Dit is essentieel voor hun intrinsieke motivatie. (zie bijlage 10)

Een ander gemeenschappelijk kenmerk is dat ze, wanneer de mate van uitdaging en het ‘leergehalte’ van de stof te laag zijn, een slechte werkhouding ontwikkelen en eigenlijk niet leren om zich voor het verwerven van nieuwe kennis en vaardigheden flink in te zetten. Hier geldt: jong geleerd, oud gedaan en het is dan ook evident dat deze leerlingen, wanneer ze met een dergelijke ‘werkhouding’ uitstromen naar het voortgezet onderwijs, daar niet kunnen excelleren en op een voor hen te laag uitstroomniveau de school verlaten. Momenteel studeert slechts een klein deel van de hoogbegaafde leerlingen op wetenschappelijk niveau af. Nog steeds komen dus niet alle leerlingen op het niveau dat gezien hun capaciteiten passend zou zijn.

Hiermee is de noodzaak om ook voor hen Passend Onderwijs te bieden duidelijk.

Om ook de leerlingen aan de rechterzijde van de curve in het basisonderwijs te kunnen bedienen kan spiegelbeeldig een zelfde zorgstructuur als aan de linkerkant worden opgezet. Deze ziet er dan als volgt uit:

Niveaus van zorg rechts

Niveau 1 – 2 – 3 in de reguliere groep
Inperken instructie en oefenstof – uitbreiding naar stof op een hoger niveau of andersoortig aanbod: compacten en verrijken
Niveau 4
Plusgroep - kinderen krijgen één of meer dagdelen speciale projecten. (Verrijkingsgroep)
Niveau 5
Verwijzing naar een fulltime begaafdenschool - continu uitdagend aanbod in het kader van het ontwikkelingsperspectief van de leerling.

Bron: Jan Hendrickx

Wouter:

Wouter wordt in groep 3 nader onderzocht omdat zijn ouders steeds meer moeilijkheden ervaren in het gedrag van hem. Op school krijgen ze weinig oplossingen aangereikt.
Onderzoek wijst uit dat er sprake is van en IQ van 145. Met het verslag op zak, gaan de ouders samen met de onderzoeker een gesprek aan op school. De leerkrachten doen het onderzoek af als niet relevant. Ze “herkennen zich niet in het onderzoek en kunnen er niets mee”.