STAPPEN IN DE ZORGSTRUCTUUR

(de nummers corresponderen NIET met de zorgniveaus) 

1. Signalering 4-jarigen        

Om adequaat te kunnen inspelen op de ontwikkelingsvoorsprong van instromende leerlingen is het van evident belang dat de school weet heeft van die voorsprong. Ouders trekken niet altijd aan de bel voordat de leerling op school komt en bovendien getuigt het van een professionele houding wanneer de school zich niet afhankelijk opstelt van ouders, maar zelf handelt.

Voordat de leerling instroomt moet de leerkracht weten welk ‘vlees in de kuip’ eraan komt. Een goede signalering vlak vóór de vierde verjaardag is dus nodig. Binnen het signaleringsinstrument SiDi wordt hierin voorzien door middel van een oudervragenlijst bij instroom. Wanneer de school deze lijst tot onderdeel maakt van de intakeprocedure voor nieuwe leerlingen worden veel meer kinderen tijdig gesignaleerd dan wanneer de leerkracht de taak heeft door middel van observatie en communicatie met de leerling erachter te komen of er sprake is van een hogere intelligentie en daarmee gepaard gaande ontwikkelingsvoorsprong. Zonder signaleringsinstrument wordt slechts 50% van de hoog intelligente leerlingen ontdekt. Van genoemde SiDi-vragenlijst is overigens ook een versie voorhanden voor zij-instromende leerlingen. 

2. Jaarlijkse signalering 

Om eventueel gemiste leerlingen, of kinderen die zich pas later ontplooien als slimmerik te signaleren, is er binnen het SiDi-signaleringsinstrument ook een vragenlijst ontwikkeld die jaarlijks wordt ingevuld door de nieuwe leerkracht van de groep. Met name in de eerste jaren dat met SiDi wordt gewerkt worden zo soms nog ‘verrassingen’ ontdekt. Zonder ontdekt te worden zouden veel van deze leerlingen gedoemd zijn tot onderpresteren.

De gesignaleerde leerlingen worden aangemerkt als zorgleerlingen met een bijzondere onderwijsbehoefte.

2a. Didactisch niveau bepalen

Kinderen ontwikkelen zich op allerlei terreinen en bevinden zich dus voortdurend in ontwikkelingsfasen op verschillende gebieden. Wat betreft de schoolse ontwikkeling is het van groot belang dat bij de leerkracht bekend is in welke fase de leerling zich bevindt. Immers, zonder te weten welk niveau het kind heeft kan niet worden ingeschat of het geboden onderwijsaanbod daarbij aansluit.

Het is de taak van de school om passend onderwijs te bieden en daarvan kan geen sprake zijn als er geen inschatting wordt gemaakt wat bij het kind past. Een leerling die alle letters zowel actief als passief beheerst, heeft bijvoorbeeld een ander aanbod nodig in de leeshoek dan een kind dat slechts de letters van de eigen naam kent zonder ze nog in andere woorden te herkennen.

De leerkracht onderzoekt dus kort nadat het kind op school komt het didactische niveau op de verschillende onderwijsgebieden.

Wanneer het didactische niveau van de leerling is bepaald, kan de leerkracht het kind begeleiden naar de zone van naaste ontwikkeling. Zonder niveaubepaling is begeleiding van de leerling met ontwikkelingsvoorsprong op cognitief vlak een slag in de lucht.

Overigens moet er altijd rekening mee worden gehouden dat de motorische ontwikkeling leeftijd gerelateerde is en niet automatisch gekoppeld is aan de ontwikkeling van de intelligentie. Ook een kind met een ruime ontwikkelingsvoorsprong heeft tijd nodig voor de motorische ontwikkeling.

De sociale ontwikkeling loopt meestal wel voor op leeftijdgenoten. Doordat het kind echter in een groep terechtkomt waar een andere sociale orde heerst dan het zelf heeft, weet het vaak niet hoe het hiermee om moet gaan en kan het gedrag gaan vertonen dat door de onderwijsgevende bijvoorbeeld kan worden bestempeld als: “NOG niet toe aan het functioneren in een groep”. In werkelijkheid kan het kind bijvoorbeeld juist hogere verwachtingen van het sociale gedrag van de medeleerlingen hebben en weet zich niet aan te passen aan de omgang zoals die in groep 1/2 plaatsvindt.

De emotionele ontwikkeling is vaak ook al verder dan van 4-jarigen wordt verwacht. Zo kan een groter empatisch vermogen leiden tot mededogen met klasgenoten, maar wanneer het andere kind niet reageert op een onderhandelingspoging over het gebruik van het schepje in de zandbak, kan dat zeer frustrerend werken. Zo ontstaat toch gemakkelijk wrevel met medeleerlingen, die weer kan leiden tot verdriet (huilen) bij de slimmerik.

2b. Versnellen indien nodig 

Wanneer het didactische niveau van de leerling op belangrijke gebieden van het onderwijs (rekenen, taal, begrijpend lezen) meer dan een half jaar voorligt op de groep, is een versnelling te overwegen. Het is zowel voor leerkracht als leerling beter werkbaar wanneer het kind bij een groep hoort met een vergelijkbaar ontwikkelingsniveau, dan dat het voortdurend een individueel programma aangeboden moet krijgen. Om een weloverwogen beslissing te nemen is het raadzaam om de Versnellings Wenselijkheids Lijst (VWL) te gebruiken. 

3. Compacten,  topdown didactiek en verrijken

De leerling die een snellere ontwikkeling doormaakt heeft een compact onderwijsprogramma nodig. Het kind gebruikte minder tijd om tot een bepaald ontwikkelingsniveau te komen dan gemiddeld. Deze snelheid behoudt het kind in principe. Er is geen reden om aan te nemen dat deze leerling na een versnelling opeens een trager tempo van ontwikkeling zal krijgen. Dat betekent dus dat het in ieder geval een compact programma nodig heeft, want het heeft kennelijk minder tijd en oefening nodig. Ook leerlingen die wel een ontwikkelingsvoorsprong hebben maar niet worden versneld, kunnen beter een compact programma krijgen. Ze leren vanuit inzicht en hebben dus minder ‘oefening’ nodig om hetzelfde te kunnen leren als hun klasgenoten.

Een compact programma betekent dus tegelijkertijd een verrijkt programma. Door het compacten (het compact aanbieden betekent korter uitleg en minder oefenen) wordt minder onderwijstijd besteed aan het leren van nieuwe leerstof. Daarmee blijft er onderwijstijd ‘over’ en die dient nuttig te worden besteed. Dit kind gaat naar school om zich te ontwikkelen en daar zal het onderwijsaanbod dus op gericht moeten zijn. De (verrijkings)activiteiten die in de vrijgekomen tijd worden georganiseerd moeten met name een inspanning vragen van het creatieve denkvermogen van de leerling. Wanneer we ervan uitgaan dat het kind op het juiste niveau wordt uitgedaagd én we bieden het creatieve denkuitdagingen mogen we ook verwachten dat we het motiveren en dat het kind gaat doorzetten om de gestelde doelen te bereiken. Pas dan hebben we onderwijs gerealiseerd dat aan de kenmerken van (hoog)begaafdheid tegemoetkomt. Deze zijn namelijk: een hoog IQ, een groot creatief denkvermogen en motivatie/doorzettingsvermogen om beide te gebruiken.

Bij het hoge IQ hoort ook dat het kind topdown denkt, oftewel van groot naar klein. Het heeft bijvoorbeeld eerst behoefte aan het             kader, pas daarna kan het zich inzetten om deelvaardigheden te oefenen. Dit heeft consequenties voor het aanbieden van nieuwe leerstof. De leerling heeft behoefte aan inzicht in einddoelen en opbouw van de leerstof op een bepaald gebied voordat hij in staat is om zich te concentreren op deelgebieden. De leerkracht geeft hem dit inzicht bij nieuwe leerstof  bij voorkeur door middel van preteaching.

4. PLUS-groep 

Kinderen waarvan het IQ veel hoger ligt hebben soms niet voldoende aan een aangepast programma in de groep. Zij hebben nóg grotere uitdagingen nodig of nóg diepere denkvragen om hun capaciteiten goed te kunnen benutten. Ook ontbreekt het hen vaak aan een “peergroup”. Voor deze kinderen is een plusgroep een welkome aanvulling op het onderwijsprogramma. Zij behouden hun verrijkte programma in de groep en daar bovenop wordt tijd vrijgemaakt om naar de plusklas te gaan. Dit betekent ook dat ze een tandje bij moeten zetten om hun verrijkte programma in de groep te kunnen volhouden.

Doelen, activiteiten en materialen zijn in de plusgroep dus anders dan in de reguliere groep. Er wordt gewerkt aan doelen die voor deze kinderen onvoldoende worden gerealiseerd binnen de groep. Voorbeelden hiervan zijn: leren leren, leren planmatig te werken, inzicht in zichzelf krijgen, leren samenwerken, omgaan met ontwikkelingsgelijken, leren het eigen werk te evalueren.

Activiteiten kunnen bijvoorbeeld zijn: filosofie, debatteren, creatieve denkvragen, coöperatief spel, leertechnieken oefenen.

Het is evident dat hiervoor specifiek materiaal beschikbaar moet zijn en dat de leerkracht goed moet zijn voorbereid.

5. TOP-klas

TOPPLAN-onderwijs staat tevens voor fulltime onderwijs, gericht op de begaafdste leerlingen. Dit kan in een behoefte voorzien van jonge zeer hoogbegaafde leerlingen, bijvoorbeeld met een TIQ boven 130, maar ook voor leerlingen waarvoor het verrijkte programma in de groep én de plusgroep niet voldoende blijken te zijn. Deze leerlingen zijn meestal wat ouder wanneer ze worden aangemeld voor het totaalonderwijs. Een hoogbegaafdheidsonderzoek is hiervoor nodig. Er zijn steeds meer onderzoeksbureaus die in staat zijn dit al op zeer jonge leeftijd vast te stellen. Ook zou handelingsverlegenheid van de toeleverende school een selectiecriterium kunnen zijn.

De TOP-klas heeft een leerkracht die niet alleen kennis van hoogbegaafdheid heeft, maar ook van de typische denk- en leerstijlen die daarbij horen. Zo wordt er gebruik gemaakt van divergent leren, associatief leren, wordt de didactiek topdown gemaakt en wordt ingegaan op de eigen interesses van de leerlingen. Hierop wordt geanticipeerd door het onderwijs in zijn geheel topdown aan te bieden en in het programma ruimte te bieden aan alle hierboven beschreven doelen, activiteiten en materialen. Dit vereist een goed opgeleide leerkracht. Scholen die de TOP-klassen bieden doen dat (op termijn) met een evenwichtige organisatie: onderbouw (1-3), middenbouw (3-4 en 5-6) en bovenbouw (7-8). Uiteraard kan dit worden gerealiseerd middels een groeimodel. Zeker in de eerste jaren zal de laagste groep nog moeilijk gevuld worden.

Doelen voor PLUS-groep en TOP-klas:

Door het juiste onderwijsaanbod te bieden zit de leerling goed in zijn vel en komt tot optimale prestaties. Het kind kan excelleren.

Vaardigheden:

- zichzelf leren kennen
- leren omgaan met hun begaafdheid
- leren leren
- talenten ontdekken en leren te gebruiken
- leren doorzetten
- leren echt samen te werken
- leren debatteren
- leren planmatig te werken    
- leren evalueren
- sociale ontwikkeling 

Middelen:

- contact met “peergroup” PLUS of TOP.

Vakken / roosters:

Op het rooster staan naast de normale schoolvakken:
- filosofie
- debatteren
- creatieve denkvragen / onderzoek en ontwerp
- coöperatief spel
- leertechnieken oefenen
- science
- vreemde taal / talen

Op dit moment zijn er al veel scholen die de zorg tot en met niveau 3 realiseren.

Niet alle scholen hebben echter de draagkracht om een eigen plusgroep te organiseren. Hiervoor wordt ook bovenschoolse samenwerking gezocht.

Om niveau 5, de fulltime TOP-klas voor begaafde leerlingen te kunnen realiseren is altijd bovenschoolse samenwerking vereist.


Meer informatie over TOPDOWN-instructie.